Het eerste gezin Apon: Engebrecht
De eerste Apons en hun geschiedenis.
---

Boven hebben we uitgetekend wat bekend is geworden als het eerste gezin Apon, waarover gegevens beschikbaar zijn.

Engebrecht Apon: de eerste Apon?

Frans van Kuik nam in 1986 contact op met het archief van Rotterdam, die na onderzoek tot de volgende conclusie kwamen:

"Aangezien onderzoek op Apon en Hapon geen doopinschrijving van Engel oplevert zijn we overgegaan tot het zoeken op patronym. Gezien het
feit dat Engel's oudste zoon bij zijn doop in 1708 de naam Pieter ontving, is het waarschijnlijk dat Engel's vader ook die naam droeg. Op die manier
troffen we onder de dopen der Nederduits Gereformeerde kerk de doop aan van Engebrecht op 3-9-1677 als zoon van Pieter Cornelisse en Maertie Cornelisse."

En in het Rotterdams Archief vinden we inderdaad:
Kind
Engebrecht
Vader
Pieter Cornelesse
Moeder
Maertie Corneles
Getuigen
Arij Engebrechts
Luentie Engebrechts
Plaats
Rotterdam
Doopdatum
03-09-1677
Bron
DTB Rotterdam inv. 1 Doop gereformeerd, index nummer 295

De adj. archivaris van het Rotterdams Archief schrijft verder:

"Alhier is overleden in een huis aan de Vissersdljk en op 8-5-1692 begraven Pieter Cornelijtsen. Gezien het feit dat Engel ten tijde van zijn huwelijk aan de Vissersdijk woonde, kan het hier om zijn vader gaan."

Er wordt dus duidelijk over een mogelijkheid geschreven, sluitend bewijs hebben we nog steeds niet gevonden. Toch is dit een redelijke aanneme en totdat we meer weten, beschouwen we Engebrecht als meest waarschijnlijke eerste Apon, met Pieter Cornelisse en Maertie Corneles als zijn waarschijnlijke ouders.

Bezoeker van de site, Ronald Dijkstra, wijst ons op de trouwakte van Pieter Cornelisse/Cornelisz en Maertie Corneles/Cornelis:

Bruidegom   Pieter Cornelisz, jongeman, Swindrecht, wonend:  Buyten De Delfsepoort
Bruid  Maritje Cornelis, weduwe van Engelbrecht Arijensz, wonend: Buijten De Delfsepoort
Plaats  Rotterdam
Datum trouwen  12-04-1671
Datum ondertrouw  29-03-1671

Ronald redeneert dat Pieter en Maertie hun eerste twee kinderen, Cornelis en Cornelia, naar hun ouders (waarschijnlijk hadden zij beiden een vader met de naam Cornelis) hebben vernoemd en hun andere zoon naar de ex-man van Maertie. Dit is echter slechts een theorie: de naam Cornelis is geen zeldzame naam en een kind naar een overleden ex-man vernoemen klinkt wat ongewoon.

Op internet cirkuleren verschillende geruchten over Engebrecht, waaronder de veronderstelling dat hij een aangenomen zoon zou zijn. Aangezien bij de doop van Engebrecht zijn kinderen Pieter, Johannes en Adriana getuigen aanwezig waren met namen die lijken op Apon (Hendrik Hapoen en Annetje Pieters, Johannes Hapon en Johanna van der Verre, Jan Hapon en Alida Liefkens), kan het ook nog zo zijn dat Engebrecht geen (echte) zoon van Pieter en Maertie was en/of niet de eerste Apon en/of van buiten Rotterdam (Nederland?) kwam. Feit is in elk geval dat er tijdens het leven van Engel meerdere (H)apons rondliepen. Het zou goed kunnen dat Engel broers, neven of andere familie had. Tot nu toe zijn alle Apons die wij in ons bestand hebben, nakomelingen van Engebrecht Apon. Het wachten is dus op informatie over de "missing link".

J(o)an Happon

In het Utrechts Archief vinden we een notariële akte terug van 7 december 1726 waarop de naam Jan Happon vermeld staat:


Zoals hierboven (moeilijk) te lezen is, was het beroep van Jan "oppercoopman en secunde persoon des gouvernemends van Macasser". Een tweede bron vertelt ons ook over een Joan Happon, die sabandhaar was te Makassar op 27 maart 1708, koopman en fiscaal ald. op 27 december 1715, opperkoopman en secunde te Makassar op 29 maart 1718, gouverneur van Ternate 28 op december 1725, en van Makassar op 21 jan 1727. Waarschijnlijk spreken deze twee bronnen over dezelfde J(o)an Happon, die op 5 februari 1727 te Ternate (een eiland dat deel uitmaakt van de Molukken) is overleden. In een derde bron lezen we dat ene Joan Happon van 1724 tot 1728 gouverneur is geweest op de Molukken in Nederlands-Indië. Of dit dezelfde Happon was of een zoon van eerstgenoemde, weten we niet. De genealogische gegevens over deze Jan Happon kun je hier lezen (klik op de link). We komen graag in contact met iedereen die ons meer weet te vertellen over deze J(o)an Happon.

Familienaam

Onder andere het gerucht dat onze familienaam van Franse Hugenoten zou afstammen is hardnekkig (zie Apon: waar komt deze rare familienaam vandaan?). Eenieder die ons hier meer over kan vertellen, nodigen wij uit om contact met ons op te nemen.

De opmerking van de adj. archivaris uit Rotterdam zegt veel over hoeveel we weten over de betekenis van onze achternaam:

Onder "Apon: waar komt deze rare familienaam vandaan?" (zie het overzicht links) kun je meer lezen over (verschillende theoriën over) de herkomst van de familienaam Apon.

Wie was Engebrecht?

Tussen 1585 en 1650 groeide Rotterdam aanzienlijk evenals de nijverheid, handel en koopvaardij. Antwerpen had zijn positie als havenstad verloren ten gunste van Rotterdam. Dit leidde tot een immigratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar onder andere Rotterdam. Voorheen werd er in Holland en in Rotterdam vooral in lastgoederen gehandeld zoals haring, bier, kaas, zout, hout, hennep en teer. De Zuid-Nederlanders werkten overwegend met "fijne waren" die meer kostbaar waren en per stuk op hun waarden werden gewaardeerd. Veel van de immigraten uit het zouden die zich met hun geld of bedrijf in de Hollandse steden kwamen vestigen, waren juist werkzaam in deze "fijne waren". Wellicht dat Engebrecht zo'n immigrant was, we weten namelijk dat Engebrecht Apon van 1721 tot 1730 werkzaam was als wijnkoopman. Wijnen werden vooral vanuit Frankrijk geïmporteerd. De familienaam Apon duikt op in een woelige tijd (1677) met grote immigrantenstromen buitenlanders die hun heil zochten in de Nederlanden. Of de eerste Apon één van deze heilzoekers was, weten we dus (nog) niet. De immigratie in Rotterdam zal sterk zijn beïnvloed door de contacten met Engeland, Frankrijk en Duitsland, waar Rotterdam door handel, scheepvaart en visserij mee was verbonden. Daarnaast was er sprake van veel immigratie uit de Zuiderlijke Nederlanden. Indien Engebrecht (samen met familie?) als immigrant naar Rotterdam is gekomen, kan hij dus "overal" vandaan zijn gekomen. Of Engebrecht nu als immigrant naar Rotterdam is gekomen of niet, hij werkte in elk geval in een florerende handel.

Van de Noord-Franse havens was het Normandische Rouaan aan de Seine, met de voorhavens Le Havre en Honfleur het belangrijkst. De handelsgoederen die de Rotterdammers naar de Noord-Franse havens vervoerden, bestonden voornamelijk uit haring, kabeljauw, schelvis, makreel en zalm, producten van de walvisvangst zoals traan en baleinen en kaas, boter, granen, lijnzaad en meekrap. Tegenover de grote export naar de Noord-Franse havens stond slechts een bescheiden import van granen, canvas, papier, glas en zijden stoffen. De handelsbalans tussen Rotterdam en de Zuid-Franse havens zag er heel anders uit. Tegenover een bescheiden export stond een grote import van Franse wijnen, brandewijnen, zout, granen en zuidvruchten. De wijnhandel in het bijzonder was al vroeg in de zeventiende eeuw erg belangrijk; de Wijnhaven, aangelegd tussen 1610 en 1613, droeg deze naam niet voor niets en in 1618 werd de Franse wijnhandel als belangrijkste nering van Rotterdam uitgeroepen. Het is dus erg waarschijnlijk dat Engebrecht voornamelijk handelde in wijnen uit Zuid-Frankrijk.

De Franse wijnen werden hoofdzakelijk uitgevoerd vanuit Nantes waar een vrij grote kolonie Nederlandse wijnkopers actief was. Heeft Engebrecht wellicht een tijdje in Frankrijk gewoond en daar zijn achternaam 'opgedaan'? Deze wijnkopers betroffen namelijk vaak jonge Rotterdammers die zich in Nantes vestigden om het vak te leren en ervaring op te doen. Andere havens waarmee handel werd gedreven waren Bordeaux, Libourne in het Garonne- en Dordogne-gebied, Rochelle in het Charente-gebied en Bayonne de France in het Adourgebied.

De kinderen van Engebrecht Apon

Slechts drie van de zeven kinderen hebben zelf kinderen en nakomelingen gekregen. Zoals onder aan de pagina en op onderstaande afbeelding te lezen is, overleed de oudste zoon, Pieter, in 1740 in Oost Indië, dienst doende als tamboer op het VOC-schip "Haften". In de akte die getuigt van zijn overlijden staat tevens dat hij drie levende broers heeft: Arnoldus, Abraham en Jan.

"De person van Pieter Happon van Rotterdam, welke in den jare 1730, jongeman en ongehuwt zijnde voor tamboer met het schip Haeften voor de kamer van Rotterdam is uitgevaren naar Oostindiën, in den Jare 1740 (zo haar comp. onderrigt wert) aldaar overleden (...)"

De archieven van de VOC vertellen ons het volgende over Pieter:
Hier kunnen we zien dat Pieter met de Haften op 7 april 1730 is vertrokken uit Rotterdam en op 28 januari 1731 in Batavia is aangekomen. De Haften was een zogenaamde "fluit". Vocsite.nl vertelt ons het volgende over dit type schip:

"Het fluitschip is een betrekkelijk smal schip met vlakke bodem en (...) een rond achterschip. Het type is vermoedelijk ontstaan in Hoorn omstreeks 1595. (...) De fluit had drie masten. De grote mast en de fokkemast hadden elk twee razeilen, beide trapezium-vormig en vrijwel gelijk in grootte. De beide masten waren hoger dan gebruikelijk waardoor er een aanzienlijk zeiloppervlak werd gevoerd. De bezaansmast had een langsscheeps latijnzeil, de boegspriet een blindezeil. Een galjoen ontbrak bij de op het Noorden varende fluiten vrijwel steeds, maar die hadden achter een gat, de houtpoort, waardoor hun houtlast geladen kon worden. De fluitschepen die voor de zuidelijkerroutes werden gebouwd, kregen meestal wel een galjoen en ook meer scheepssier. Het smalle dek met korte loopafstanden , het eenvoudige zeilplan en een praktische opzet van staand en lopend tuig maakten de fluit een zeer goed, met kleine bemanning te varen schip. De bewapening van de fluit was vooral defensief opgezet. Het schip had doorgaans slechts enkele stukken geschut, gewoonlijk op het overloopdek. De achtersteven bood door vorm en indeling weinig mogelijkheden voor het opstellen van zwaardere stukken. Vanwege de lading was het schip een potentieel doelwit. De sterk inspringende boorden van het schip bemoeilijkte eventuele enter-pogingen. Mocht dat toch lukken, dan kon de bemannning zich terugtrekken in kampanje en bakverblijf. Alle luiken en deuren waren met ijzeren banden verstevigd en konden van binnen worden afgesloten. Schietgaten, kruiselings aangebracht in kampanje en bak, maakten het de bemanning mogelijk zich met musketten tegen vijanden op het smalle dek te verweren.
De fluit werd gedurende de gehele bestaansperiode van de VOC intensief ingezet, zowel voor de reizen tussen Nederland en Oost-Indië als voor de verbinding tussen de handelsposten in de Oost. Gedurende ruim twee eeuwen werd dit type gebouwd, zonder dat principiële verbeteringen nodig waren. De belangrijkste wijzigingen in de loop van de tijd waren de invoering van een kruiszeil, bramzeilen en stagzeilen, om de snelheid op verre tochten verder op te voeren."

Fluitschip

Terug naar het gezin waar Pieter vandaan kwam. Zoon Coenraat en dochter Adriana moeten dus voor 1743 (het jaar dat de acte over hun broer Pieter is opgesteld) zijn overleden.


De namen Johannes en Jan werden in het verleden nogal eens door elkaar gebruikt. Aangezien we niet zeker zijn van de geboortedatum van zoon Jan, kan het het geval zijn dat Johannes en Jan dezelfde personen zijn en hij geboren is in 1711 en overleden in 1763. Graag horen wij indien mensen hier meer over weten. De overlijdensdatum van de vrouw van Engebrecht, Alida Suijthof (1676), weten wij tevens niet.

Steyger

We weten dat de vader van Engebrecht, Pieter Cornelisse, op 8 mei 1692 is begraven in Rotterdam en dat hij overleed "in het huis aan de Visschersdijk" waar hij in elk geval heeft gewoond sinds hij trouwde met Maertie Cornelis op 12 april 1671. Van Johannes, Arnoldus en Adriana weten we dat ze "op 't Stijger" hebben gewoond. Dit kan wellicht betekenen dat het hele gezin van de Visschersdijk naar 't Stijger (Steiger) is verhuisd. Deze twee straten liggen vlakbij elkaar.
In 1334 werd het Steiger, één van de oudste, nog bestaande straatnamen van Rotterdam, voor het eerst genoemd. De naam verwijst naar de buitendijkse aanlegplaats langs de Hoogstraat. Deze bekendste en (in de 14e en 15e eeuw) belangrijkste buitendijksloot liep evenwijdig aan de dam en werd "Steyger" genoemd. Deze werd met de dam naar buiten uitgebouwd en deed aanvankelijk dienst als haven en vest. Haven en Steiger samen vormden een T-vormige haven voor de dam, waarbij de buitendijksloot de horizontale balk voorstelt en de haven de verticale balk. Hertog Willem V van Beieren gunde Rotterdam in 1351 het vrije gebruik van de steiger. In 1358 vond uitbreiding van het havengebied plaats, toen de latere Blaak en een deel van de Nieuwehaven werden gegraven als zuidelijke stadsvest. Gedeelten van het Steiger droegen voorheen verscheidene benamingen: Dordtsche Steiger, Smal Steiger, Kleine Steiger, Boerensteiger en Middensteiger. De Steigersgracht is het water tussen Steiger en Hang. De gracht voert via sluizen in de dam in de Rotte (waar nu de Hoogstraat loopt) water van de Rotte af en mondt uit in de Leuvehaven, die er ten tijde dat het eerste gezin Apon hier woonden zo uitzag.

Rotterdam (Leuvehaven) 1694

Daar waar de Steigergracht uitmondde in de Leuvehaven, bij de Soetenbrug, begon Visschersdijk, die aan de noordzijde van de binnenhaven Blaak lag. Op de volgende kaart uit 1652 kunnen we aangeven waar Engebrecht en zijn kinderen waarschijnlijk woonden.

De Steigergracht is aangegeven met de rode lijn. De rode lijn komt aan rechts uit op de Grotemarkt, die omstreeks 1556 doorliep. Aan de rechterkant van de Grotemarkt liep de Steyger nog een flink stuk door. (zie afbeelding hieronder) Dit deel is in latere tijden gedempt. Zoals we later zullen lezen weten we dat de eerste Apons vlakbij het zakkendragershuis woonden, dat net rechts van de Rotte lag. De Rotte doorkruist de stad van noord tot zuid.
De Visschersdijk heeft een groene lijn. De gele stip is de Soetenbrug, de blauwe Leuvehaven en de bruine Blaak. De haven was de belangrijkste openbare ruimte van Rotterdam. Het gebied van dam en haven vormden zowel een economisch als ruimtelijk centrum waar de belangrijke aan- en afvoerwegen bij elkaar kwamen. Op en rond dit knooppunt vonden de belangrijkste economische activiteiten plaats, voornamelijk op de marktplaatsen. De kleine marktplaatsen lagen verspreid langs de straten en kaden in de omgeving van de dam. De minder belangrijke markthandel vond het verst van het cenrum plaats. In het centrum zijn de 'vismarct' op de kade ten noorden van de Steigersgracht en het 'marctvelt' ten oosten van de dam de enige veertiende-eeuwse namen die wijzen op speciale openbare ruimten met een marktbestemming.

Kaart uit 1588 waarop de steyger goed te zien is.

Op een kaart uit 1865 kunnen de de Steigergracht ook zien:

Of op de hoek van Leuvehaven en Blaak (waar nummer 20 staat op bovenstaand kaartje) destijds al de "Zeevischmarkt" was, is niet zeker, maar dat er vis gehandeld werd staat vast. De Steigergracht is grotendeels gedempt, maar bestaat nog steeds, evenals de Vissersdijk (nu zonder ch). Op de kaart van vandaag ziet het er zo uit:


Het stadsbeeld ziet er na ruim 300 jaar inmiddels ook heel anders uit. Inmiddels heeft Google ook door Rotterdam gereden en zodoende kunnen we hier laten zien hoe het er nu uitziet wanneer we op de Soetenbrug staan en uitkijken over de Steigergracht.


Gezien vanuit andere hoeken ziet de Steiger er als volgt uit:



Vissersdijk ziet er nu als volgt uit:


Zakkendragers?

Dat deze Apons in Rotterdam woonden en ook nog eens zo dichtbij de havens, heeft zijn sporen nagelaten. Over de oudste zoon van Engebrecht, Pieter (1708-1740) weten we dat hij als tamboer werkte en met het schip Ha(e)ften naar Indië vaarde, waar hij overleed. In de doopakte van Johannes Apon (1711-<1743) staat dat hij "aan 't Stijger" woonde, achter het "Sackedragershuisie" (Zakkendragershuis). Van dit zakkendragershuis hebben we de volgende afbeelding.


We weten dat Engebrechts oudste zoon, Jan (ca 1724-1763) werkte als pakhuisknecht en het zou best kunnen zijn dat Engebrechts zonen hier hebben gewerkt als zakkendragers. Zakkendragers waren verantwoordelijk voor het laden en het lossen van de schepen in de havens. Als een schip zich meldde voor een karwei, werd de klok van het zakkendragershuisje geluid. Er was vastgesteld hoeveel man er voor het laden en lossen nodig waren. Via een spel van dobbelstenen werd onderling bepaald aan wie het werk werd gegund. Zakkendragers berekenden een flink tarief en het was een gewild beroep, zo gewild, dat de leden van het gilde een hoog inschrijfgeld konden verlangen van nieuwe belangstellenden. Dat hoge tarief had een reden. Schepen laden en lossen is zwaar werk. Dat moet gedaan worden door gezonde, sterke mannen. Het was natuurlijk niet goed om gebruik te maken van goedkope, arme sloebers. Hun productiviteit en betrokkenheid waren te klein. Dit was schadelijk voor de lading. Zakendragers moesten genoeg verdienen om zichzelf en hun gezinnen goed te kunnen onderhouden. Bovendien kon het voorkomen dat er lange wachttijden waren tussen het ene karwei en het andere. Dan kwam er geen loon binnen. Zakkendragers moesten zulke periodes overleven. Elk nieuw karwei vergde veel energie. Het laden en lossen moest onmiddellijk gedaan worden en het moest snel gebeuren.

Botersloot

Van Abraham (1721-1784) weten we dat hij in de Houttuin heeft gewoond, aan de oostzijde van de draaibrug, nabij het huidige centraal station. Tijdens zijn trouwen woonde hij aan de Botervloot, die we helemaal rechts op bovenstaande afbeelding nog net kunnen zien. De naam komt in 1433 al voor in geschriften van het Gemeentearchief Rotterdam, en dankt zijn naam aan de zuivelboeren die hun waren via de Rotte naar de stad brachten, in die tijd was de Botersloot een vaart voor platbodems die liep van de Rotte richting het Boterhuis op het zuidelijkste gedeelte bij de Huibrug (Huidenbrug). Het noordelijkste gedeelte heette de Buitenbotersloot en later de Karnemelkshaven. De kaden kwamen eerst als Achterweg voor en ook wel eens als ís-Gravenstraat. Later heetten beide zijden Botersloot. In 1866 werd de Botersloot gedempt. Op de route van de oude Botersloot liggen nu achtereenvolgens het Binnenrottehof, het kruispunt met de Meent en de huidige Gedempte Botersloot. Na 1619 stond er aan de Botersloot de Rotterdamsche Vleeshal (deze zie je op bovenstaande afbeelding helemaal rechts), hier werd het vlees gekeurd en verpakt om bijvoorbeeld naar Engeland te worden verscheept. Voor de bouw van deze hal werd het Oude Vrouwenhuis gesloopt.Abraham overleed aan de Goudsche (rij)weg die ooit deel uitmaakte van de route naar Gouda, via Oudedijk en 's-Gravenweg.

De Botersloot ca. 1700 en 1866.

Hieronder vind je alle genealogische gegevens van Engebrecht Apon en zijn gezin.
Op de pagina Stamboom per tak kun je vervolgens de gegevens opvragen van de nakomelingen van Arnoldus (HOOFDTAK I), Abraham (HOOFDTAK II) en Jan (HOOFDTAK III).

Parenteel van Engebrecht APON

Parenteel van Engebrecht APON


 
I.1    Engebrecht (Engel) APON (Cornelisse, Happen, Happon, Hapoen, Happo), wijnkoopman [1721-1730], gedoopt op 03-09-1677 te Rotterdam (getuige(n): Arij Engebrechts, Luentie Engebrechts), overleden op 05-07-1743 te Rotterdam op 65-jarige leeftijd, zoon van Pieter CORNELISSE (Cornelijtsen) en Maertie (Marijtje) CORNELISSE (Cornelis).
Ondertrouwd op 06-03-1708 te Rotterdam, woonachtig opde Visschersdyck bij 't Hofpoortje, gehuwd op 30-jarige leeftijd op 06-03-1708 te Rotterdam met Alida SUIJTHOF (Zuijthof(f), Suithof), 31 jaar oud, gedoopt op 14-06-1676 te Rotterdam, dochter van Coenaret SUYDHOFF en Catharina van MUYLENBURGH.
Uit dit huwelijk:
   1.  Pieter HAPPEN, Tamboer, gedoopt (Gereformeerd) op 16-12-1708 (getuige(n): Hendrik Hapoen en Annetje Pieters), wonende aan de Gelderij bij het Hofpoortie, overleden 1740 te Indie. Op den 5. Julij 1743 ... De persoon van Pieter Happen van Rotterdam, welke in den Jare 1730 Jongman, en ongehuwt, zijnde voor Tamboer met het schip Maesten voor de Kamer Rotterdam is gevaren naer Oostindien, in den Jare 1740 zo haar comp. onderrigt wert, aldaar is overleden ..., ... drie broeders ... met namen Jan Happen, Arnoldus Happen en Abraham Happen ... geene zusters, geene andere of meerdere broeders of susterskinderen ... alleenlijk Alida Zuijthof en de voorn. Jan, Arnoldus en Abraham Happen ...
   2.  Johannes, gedoopt op 21-07-1711 te Rotterdam (getuige(n): Johannes Hapon en Johanna van der Verren), wonende op de Steiger achter het Sackedragershuisie, overleden voor 1743.
   3.  Coenraat (Appen, Happen), gedoopt (Gereformeerd) op 26-01-1713 te Rotterdam (getuige(n): Coenraet Suythoff en Trijntje Suythof), onder naam Coenraat Appen, overleden voor 1743.
   4.  Arnoldus (Happen), gedoopt op 07-02-1715 te Rotterdam (getuige(n): Francois Valare en Joris Molnardus), wonende aan 't Stijger, begraven op 04-09-1769 te Rotterdam op 54-jarige leeftijd.
Gehuwd met Stijntje GARTIJ, overleden voor 1769.
   5.  Adriana, gedoopt op 14-02-1719 te Rotterdam (getuige(n): Jan Happon en Alida Liefkens), wonende aan 't Stijger, overleden voor 1743.
   6.  Abraham (Happen), geboren op 09-03-1721 te Rotterdam, gedoopt (Geref.) op 09-03-1721 te Rotterdam (getuige(n): Abraham Oostermans en Trijntie Suithof), wonende in de Houttuin, overleden te Rotterdam op 63-jarige leeftijd. Goudseweg aan 't Ent, begraven op 20-09-1784 te Rotterdam, "Abraham Apon, weduwnaar van Willemijntje van Vliet, nalatende een minderjarig en zes meerderjarige kinderen".
Ondertrouwd op 17-10-1745 te Rotterdam, gehuwd op 24-jarige leeftijd op 02-11-1745 te Rotterdam, "jongeman, van Rotterdam, wonende Botersloot"
"Jongedochter, van Rotterdam, wonende Raamstraat" met Willemijntje van VLIET, 19 jaar oud, gedoopt op 23-12-1725 te Rotterdam, begraven op 16-09-1784 te Rotterdam op 58-jarige leeftijd.
   7.  Jan (Happen), pakhuisknecht, geboren circa 1724, begraven op 03-09-1763 te Rotterdam.
Gehuwd met Hester ANDERSON (Roelofs).

Homepage | E-mail


gemaakt met PRO-GEN 'Genealogie à la Carte' software